“Een lokale energiegemeenschap staat of valt met vertrouwen.”

Een energiegemeenschap opzetten is niet altijd makkelijk. Maar, door goed te anticiperen op kansen en uitdagingen, kan je jouw kans op slagen aanzienlijk verhogen. Professor Joris Voets, hoofddocent Bestuurskunde en Publiek Management aan de UGent was aanwezig op de BTM-congresdag van de POM Oost-Vlaanderen en brengt de belangrijkste opportuniteiten van valkuilen voor jou in kaart.

Er is een grote tendens naar meer samenwerking tussen bedrijven op vlak van energie. De nieuwe regelgeving rond de REC (Renewable Energy Communities) zit daar voor iets tussen. Deze nieuwe regelgeving stimuleert het opzetten van energienetwerken waarbij de eigen productie van hernieuwbare energie aan de basis ligt.
Een nieuwe aanpak van de actoren binnen het netwerk dringt zich op. Maar hoe organiseer je zo’n gemeenschap het best?
Professor Voets: “Een energiegemeenschap kan je op verschillende manieren organiseren. Welk soort netwerk het meeste kans op slagen heeft? Dat hangt van heel wat factoren af.”

Vooraleer we op die factoren ingaan: wanneer kunnen we eigenlijk spreken van een netwerk?

Voets: “Dat is heel eenvoudig. Vanaf het moment dat je met drie actoren samenwerkt, vorm je formeel een netwerk.”

“Bekijken we een netwerk feitelijk, dan gaat het o.a. over de manier waarop actoren zich tot elkaar verhouden en hoe macht een rol speelt, hoe ze een gedeeld belang ambiëren, in welke mate er sprake is van voldoende vertrouwen. Zo weten we dat de verschillende partijen in een netwerk zelden of nooit ‘gelijk’ zijn (een lokale buurtbewoner heeft andere hulpbronnen ter beschikking dan pakweg een groot naburig bedrijf), maar dat een netwerk maar werkt als ze elkaar voldoende respectvol en gelijkwaardig behandelen. Daarnaast moet er onderling voldoende vertrouwen heersen om samen een gezamenlijk project uit te bouwen: als iedereen voortdurend twijfelt aan elkaars goede bedoelingen aan de tafel, als er sprake is van verborgen agenda’s, enz. is er eveneens een groot probleem.”

“Er moet onderling voldoende vertrouwen heersen om samen een project uit te bouwen.”

Er zijn natuurlijk veel verschillende vormen van netwerken. Welk type is het meest geschikt om een energiegemeenschap uit te bouwen?

Voets: “In de literatuur onderscheiden we drie ideaaltypes. Het eerste model is het ‘shared governance model’. In dit model leveren alle leden gelijkaardige inspanningen om het netwerk te doen draaien, wordt het werk als het ware netjes verdeeld tussen de partners. Dit type netwerk functioneert vanzelfsprekend beter naarmate er minder partijen zijn en als alle partijen in staat zijn een gelijkwaardige bijdrage te leveren. Vermoedelijk – maar dit is louter speculeren van mijn kant – is dit niet meteen het ideale model om een energiegemeenschap uit te bouwen, omdat je meestal met veel partijen rond de tafel zit die ook nog eens over heel verschillende capaciteit beschikken om dingen te doen.”

“In het ‘lead organization’ model is er daarentegen sprake van één partij die de leiding neemt, met instemming van de andere spelers. De keuze voor die ‘lead organization’ kan bepaald zijn door verschillende argumenten: grootte, expertise, financiële slagkracht, … Zo’n model werkt goed, op voorwaarde dat het duidelijk is wie de leiding heeft, dat die ‘leider’ ook over de juiste capaciteit beschikt én de andere partijen voldoende ruimte krijgen om ook zelf een eigen bijdrage te blijven leveren. De ‘leider’ heeft de andere partijen met andere woorden niet te bevelen, maar trekt het samenwerkingsproces wel vooruit. Als een energiegemeenschap zich vormt waarin betrokken partners voldoende vertrouwen hebben om één partij op deze manier aan het stuur te zetten, is dit ook een denkbaar model. Maar als elke partij denkt dat een andere partij toch altijd eerst het eigenbelang zal laten spelen, ligt dit al veel moeilijker.”

“Het derde model is de ‘network administrative organization’. Dit type netwerk lijkt wellicht het meest aantrekkelijk om een succesvolle energiegemeenschap op te zetten. In dit model investeren de partijen immers gezamenlijk in een secretariaat, projectbureau, … dat voldoende autonoom kan functioneren om het netwerk te laten draaien. Dat kan een team zijn met leden van de verschillende partijen, maar ook een onafhankelijke derde partij die het netwerk coördineert. Het interessante aan deze laatste optie is dat je zo ook externe expertise en specifieke knowhow op het vlak van het managen van netwerken aan boord kunt halen. Dit hoeft trouwens niet iets te zijn wat je op dag 1 al afspreekt, maar iets dat je na een eerste verkennende fase samen afspreekt, al dan niet gekoppeld aan bijvoorbeeld het binnenhalen van subsidies om dit als project verder te ontwikkelen.”

Je gaf al aan dat gelijkwaardigheid tussen de verschillende spelers van cruciaal belang is. Hoe vermijd je een ‘David versus Goliath’-situatie?

Voets: “In elk netwerk heb je grotere en kleinere spelers. Ik zie drie elementen die op het procesvlak succes bepalen: vertrouwen, initiatief en management.”

“Drie elementen bepalen de kans op slagen op procesvlak: vertrouwen, initiatief en management.”

“Ik kan het niet genoeg benadrukken: onderling vertrouwen is de basis. Zonder vertrouwen kan er niet samengewerkt worden en kan er geen consensus bereikt worden. Zeker niet over gevoelige thema’s waar verschillende belangen spelen. Dat is trouwens nog een extra reden om een onafhankelijke derde partij aan boord te halen: een neutrale speler die de tafels opzet en kan bemiddelen, de gemeenschappelijke elementen helpt op te zoeken, enz. en niet meteen in een belangenhoek kan weggezet worden.”

“Ook initiatief is zeer belangrijk. Heel wat netwerken lopen spaak door onderorganisatie: als partners denken dat samenzitten alleen volstaat om een gemeenschappelijk doel te bereiken, vergissen ze zich schromelijk. Praten is slechts een eerste stap, vervolgens moet er echter ook voldoende ‘gewerkt’ worden. Met initiatief doelen we hier dus op partijen die ook de stap zetten naar concreet engagement, waarbij elke partij binnen zijn of haar mogelijkheden inspanningen levert. Als geen enkele partij meer wil doen dan vergaderen, komt het netwerk nooit van de grond – alle goede intenties ten spijt. Een netwerk moet kunnen opschalen, de krachten bundelen en effectief stappen zetten om tot resultaten te komen.”

“Tot slot is ook management van cruciaal belang. Elk netwerk bestaat uit mensen – samernwerken in netwerken is dus mensenwerk. Het is dan ook zeer belangrijk dat de personen die een netwerk in goede banen moeten leiden, over de juiste competenties beschikken. Ik heb het onder meer over empathie, visie en flair. Mensen die kansen zien, verschillende visies met elkaar kunnen verzoenen en anderen kunnen motiveren. Heb je ze in je netwerk: gebruik ze! Heb je dergelijke ‘profielen’ niet: zoek of huur ze!”

Je benadrukt het belang van wederzijds vertrouwen. Kan je een voorbeeld waar een gebrek aan vertrouwen het uitbouwen van een goed functionerende energiegemeenschap in de weg staat?

Voets: “Stel: twintig bedrijven lijken principieel bereid om samen in een energiegemeenschap te stappen. Ze stellen allemaal dat ze dat willen doen omdat ze samen op een duurzame manier energie kunnen opwekken. Maar: enkele cruciale bedrijven blijken onderlinge concurrenten, willen er eigenlijk niet echt in investeren maar durven dat niet te zeggen, of geloven er eigenlijk helemaal niet in en gebruiken het enkel als drukkingsmiddel om hun eigen energieleverancier onder druk te zetten om korting te krijgen op hun eigen factuur, enz. Als dergelijke zaken of verborgen agenda’s niet uitgesproken terwijl ze wel het handelen van de mensen rond de tafel bepalen, dan komt het netwerk allicht geen stap vooruit. Vertrouwen betekent voor alle duidelijkheid niet dat het eigenbelang verdwijnt of dat er consensus moet zijn tussen iedereen over alles, maar dat er wel ruimte is om die belangen te bespreken, te begrijpen, en dan samen te kijken in hoeverre deze toch verbonden en overstegen kunnen worden in een gezamenlijk traject. De onderlinge concurrenten kunnen dan afspraken maken dat ze voldoende wederzijds transparant zijn op energievlak, de ‘free riders’ kunnen misschien tot inkeer komen, … Het is echter evenzeer denkbaar dat er van de twintig bedrijven een aantal afvallen zodat er met een echte ‘coalition of the willing’ verdergewerkt kan worden.”

We hebben het voortdurend over netwerken die groeien van onderuit. Kan een netwerk ook opgelegd worden, bijvoorbeeld vanuit de overheid?

Voets: “In de praktijk zien we zowel netwerken die volledig van onderuit ontstaan als netwerken die opgelegd worden (zogenaamde ‘gemandateerde netwerken’). Ik ben zelf geen expert in duurzame energie en de mate waarin netwerken op een zinvolle wijze opgelegd kunnen worden, hangt natuurlijk af van de mate waarin er belangentegenstellingen zijn, wie de voornaamste middelen in handen heeft, enz. Maar hoewel ‘gedwongen samenwerking’ een contractio in terminis lijkt, biedt het soms wel potentieel: als partijen weten dat ze tot elkaar veroordeeld zijn, kan er soms meer dan dat ze zich volledig vrij voelen. Maar ook bij opgelegde netwerken moeten ze zich verder gestaag kunnen ontwikkelen, zeker als het gaat over complexere thema’s, zoals de uitbouw van een energiegemeenschap. Dat lukt niet van vandaag op morgen. Je hebt bijvoorbeeld nood aan spelers die het initiatief nemen, die kunnen enthousiasmeren, die erover waken dat alle partijen op hetzelfde tempo mee evolueren. Dat kan een overheid zijn, maar evenzeer een bedrijf, een goed georganiseerde groep lokale burgers, … Maar het moet vooral een persoon of organisatie zijn die vertrouwen kan opwekken bij alle partijen. Vertrouwen is het grote sleutelwoord.”

“Overhaast niet: een energiegemeenschap moet de kans krijgen om gestaag te groeien.”

Rechttoe, rechtaan: wat is in jouw ogen het ideale scenario om een energiegemeenschap uit te bouwen?

Voets: “Eerst en vooral moet je voldoende tijd nemen om te verkennen en selectief zijn. Wie is voor dergelijk idee warm te maken, wie heeft welke hulpbronnen die daartoe kunnen bijdragen, maar evenzeer weten van wie je eventuele tegenstand kan verwachten – een grondige actoranalyse helpt. Niet elk embryonaal netwerk heeft immers evenveel kans op slagen en het idee ‘iedereen moet absoluut mee aan tafel’ werkt vaak niet. Als je dan toch keuzes moet maken – want middelen en capaciteit zijn altijd beperkt: ga dan enkel verder met projecten waarin je de ambitie en het engagement van een aantal belangrijke spelers bij wijze van spreken kan voelen.”

“Na een grondige verkenning kan je relevante spelers aan tafel brengen en het proces beginnen structureren. Na een aantal eerste tafels kan een vorm van engagementsverklaring wonderen doen: actoren engageren zich tot een gezamenlijk traject rond een bepaald doel, gaan samen akkoord met een plan van aanpak en geven zo ook al aan dat ze erin willen investeren. Zo ‘verplicht’ je iedereen ook om kleur te bekennen, maak je moeilijke zaken bespreekbaar en kan je discussies makkelijker ontmijnen. En als na verloop van tijd blijkt dat zelf zo’n engagementsverklaring er niet in zit, dan is dat een belangrijk signaal dat er iets niet goed zit in het netwerk en dat er moet bijgestuurd of eventueel zelfs beter gestopt kan worden.”

“Daarbij is het belangrijk om te investeren in mensen met de juiste competenties om een gemeenschap uit te bouwen: enthousiastelingen die kansen grijpen en alle neuzen in dezelfde richting krijgen.”

“Stel gezamenlijk een plan van aanpak op om alle neuzen in dezelfde richting te krijgen.”

Dat klinkt als een gouden stappenplan voor het uitbouwen van een netwerk.

Voets: “Wel, integendeel, succesvol samenwerken in netwerken is aartsmoeilijk. Elk netwerk is immers anders en speelt zich in een specifieke context af. Er is dan ook geen gouden formule die overal werkt. Vanuit de wetenschap kunnen we handvatten meegeven die in het beste geval de slaagkansen helpen verhogen, maar ook die handvatten geven geen enkele garantie op succes. Ik kan maar één tip geven: probeer het gewoon, maar liefst weloverwogen. Als je het niet probeert, weet je nooit of er kans op slagen was. Soms werkt het. Maar eerlijk is eerlijk: vaak ook niet.”

We kunnen nog uren doorgaan over het belang van een stevig netwerk. Maar sommige zaken heb je natuurlijk niet in de hand. Daarom een slotvraag: hoe pak je externe stakeholders aan; actoren die buiten het netwerk vallen?

Voets: “Oh, dat leg ik graag uit aan de hand van een ‘toegegeven clichématig’ – voorbeeld. Stel: alle leden van de energiegemeenschap (een aantal bedrijven en een paar landbouwers) zijn enthousiast en willen samen een windmolen plaatsen: ze hebben het geld, de knowhow, en ook de plaats. Maar de andere buurtbewoners die in de invloedssfeer van de molens liggen zijn niet betrokken geweest in het proces en zijn als ‘externe stakeholder’ dus niet gekend. Er komt een persmoment, een formele vergunningsaanvraag, en de buurtbewoners organiseren zich want willen geen windmolen in hun achtertuin.”

“De vraag die hier dan meteen opduikt is of er wel grondig genoeg is nagedacht of de buurt eigenlijk niet in het netwerk had moeten zitten. En als er goede redenen waren om ze niet als lid te betrekken, dan zijn er duidelijk kansen gemist om met hen op andere manier in dialoog te gaan. En ze wel opnemen of eerder betrekken levert natuurlijk geen garantie op dat ze anders tegen die windmolen zullen aankijken, maar het vergroot wel de kansen dat er meer begrip komt, dat het project eventueel tijdig bijgestuurd kan worden, enz. Zo’n situatie kan je dus eigenlijk enkel vermijden door goed te anticiperen en te investeren in een goed stakeholdermanagement. Informeer hen. Geef hen inspraak. Je kan natuurlijk nooit verhinderen dat een partij dwars gaat liggen, maar problemen die tijdig bovendrijven, kunnen ofwel nog opgelost worden of tot alternateve pistes aanleiding geven.”

“Ga slim om met kansen en obstakels. Of beter nog: anticipeer”

Nog een laatste woordje voor wie een energiegemeenschap wil uitbouwen?

Voets: “Zeker. Ik eindig graag op een realistische noot samenwerken in netwerken is geen toverformule waarbij plots iedereen samen aan hetzelfde zeel trekt of fundamentele belangentegenstellingen wegsmelten als sneeuw voor de zon. Het is ook een illusie om als partij te geloven dat je via netwerken al je doelen toch waar zal kunnen maken. Het gaat over hard werken enerzijds en water bij de wijn doen anderzijds. Je moet slim omgaan met alle kansen en obstakels die je weg zullen kruisen. Of beter nog: erop anticiperen. Maar opnieuw: zonder garantie op succes.”

Bedankt.

Frederik Loeckx: “Hoe Local Energy Communities er zullen uitzien hangt af van twee belangrijke factoren.”

Toen we het samen met Fluvius en de VREG over de toekomst van ons elektriciteitssysteem hadden, kwamen enkele nieuwe vragen bovendrijven. Die vragen, leggen we nu voor aan energie-expert Frederik Loeckx van Flux50.

De geleidelijke overgang naar een steeds duurzamer energiesysteem brengt economische kansen met zich mee. Kansen waar Flux50 nu al op inspeelt. De onafhankelijke speerpuntcluster voor energie in Vlaanderen zet proefprojecten op touw die bedrijven warm moeten maken om mee te stappen in de energietransitie.

Loeckx: “Energietransitie is best complex. Het is een relatief nieuw gegeven dat nog in de kinderschoenen staat. Bedrijfsleiders zijn nieuwsgierig naar, maar ook onzeker over wat de toekomst brengt. Veel van onze tijd investeren we dan ook in het organiseren van educatie en infosessies.”

Energietransitie is natuurlijk een zeer ruim begrip. Op welke aspect focust Flux50?

Loeckx: “Een eerste aspect is multi-energie op wijkniveau, zoals pakweg een bedrijventerrein. We hebben het over ‘multi-energie’ omdat we ons niet beperken tot één energiestroom. We gaan na hoe we warmte en elektriciteit met elkaar kunnen koppelen. Dat maakt het complexer, maar biedt ook heel veel kansen.”

“Een ander aspect zijn microgrids. Een microgrid bestaat uit tal van kleine, decentrale spelers. In zo’n systeem is het moeilijk om de frequentie en spanning van het net constant te houden. Er is namelijk geen centrale regulator. In zo’n kleine ‘energiedemocratie’ is het zaak om mechanismen te ontwikkelen om bij te sturen wanneer nodig.”

En welke rol speelt Flux50 daarin?

Loeckx: “Binnen de projecten die we op touw zetten, nemen we de rol van ‘verbinder’ op. Vergelijk het met de dirigent van een orkest. Laat elke muzikant zijn partituur spelen, en het loopt al snel in het honderd. Wij stemmen alle verschillende partituren op elkaar af en zorgen dat iedereen in hetzelfde ritme speelt.”

“Ons wetenschappelijk onderzoek
rond energie is wereldtop.”

Flux50 is een Vlaamse organisatie. Op welke verwezenlijkingen binnen de energiesector mogen we in Vlaanderen trots zijn?

Loeckx: “Ons wetenschappelijk onderzoek behoort tot de wereldtop. Instellingen als KU Leuven, UGent, VUB en Imec zijn zeer belangrijke spelers. Daarnaast zijn ook de coöperatieven in Vlaanderen heel goed uitgewerkt.”

“Ook onze proefprojecten rond energiegemeenschappen worden in het buitenland met veel interesse gevolgd. Wat het delen van energie betreft, behoren we niet tot beste leerlingen van de klas. Daar zit de wetgever voor iets tussen: in andere landen is het delen van energie juridisch vaak veel makkelijker.”

Je haalt zelf de proefprojecten rond lokale energiegemeenschappen aan. Iets waar jullie dag in dag uit mee bezig zijn. Is dat de weg die we in toekomst uit moeten?

Loeckx: “Er bestaat niet zoiets als dé weg. Er zijn verschillende wegen naar de toekomst. Dat neemt niet weg dat ik heel wat potentieel zie voor lokale energiegemeenschappen op bedrijventerreinen en in wijken.”

Omdat dat relatief kleinschalige gemeenschappen zijn?

Loeckx: “Ik bekijk het systeem als een ajuin. Op het kleinste niveau, pakweg de woning, kan je proberen om bijvoorbeeld voor 50 procent zelfvoorzienend te zijn. Lukt dat niet? Dan klop je aan bij een iets hoger niveau, bijvoorbeeld de wijk, om dat tekort te compenseren. Zo kan je op wijkniveau misschien al 80% zelfvoorzienend zijn. Maar ongetwijfeld zijn er ook periodes waarin je zelfs op wijkniveau niet in voldoende stroom kan voorzien. Dan heb je nood aan een betrouwbare back-up op nog hoger niveau.”

“Voor die spelers op dat hoogste niveau, ik denk aan de chemische cluster in Antwerpen of Arcelor Mittal in Gent, is decentrale energieproductie simpelweg onmogelijk. Dat krijg je op kleine schaal nooit georganiseerd. Voor hen is een energiegemeenschap niet de toekomst.”

Europa is het idee van lokale energiegemeenschappen erg genegen. Ze hebben richtlijnen uitgevoerd rond de Local Energy Communities. Is dat een stap in de goede richting?

Loeckx: “Als de richtlijnen geïmplementeerd worden zoals Europa ze bedoeld heeft, dan ben ik erg enthousiast over de toekomst. Maar als we de richtlijnen eng gaan interpreteren en als elke instantie voor zijn eigen belangen blijft strijden, dan komen we er maar moeilijk.”

En welke richting gaat het volgens jou uit?

Loeckx: “Ik zie een tweespalt tussen coöperatieve, lokale denkers en grootschalige, economische denkers. Dat is enerzijds logisch: elke drukkingsgroep probeert het beleid in z’n eigen richting te sturen. Anderzijds is dat ook onnodig: er is nood aan zowel coöperatief als grootschalig denken. Wij proberen de kloof tussen die twee visies te verkleinen. Dat zal een aantal gemeenschappelijke projecten vergen, die bewijzen dat de twee visies ook hand in hand kunnen gaan.”

“Lokaal en grootschalig
denken kunnen perfect
hand in hand gaan.”

Goed, we stevenen dus af op een systeem van lokale energiegemeenschappen. Welke rol zal de distributienetbeheerder daar volgens jou in spelen?

Loeckx: “De distributienetbeheerder is nog op zoek naar een nieuwe positie. Logisch ook. In een energienetwerk zijn er verschillende taken: dat gaat van het aanleggen en onderhouden van het netwerk tot de meterstanden en facturatie. In een aantal van die aspecten is Fluvius bijzonder sterk. Maar proefprojecten zullen moeten uitwijzen wat de meest efficiënte invulling is van dat takenpakket.”

Stel: ik ben bedrijfsleider en wil zelf een Local Energy Community uitbouwen. Welke taken wil Fluvius nooit of te nimmer afgeven? Wat kan ik met andere woorden zeker niét zelf doen?

Loeckx: “Volgens mij zal Fluvius willen vasthouden aan twee zaken. Het energienetwerk is het eerste. Fluvius heeft in het verleden heel veel in de aanleg van het ondergronds kopernetwerk geïnvesteerd. Dat is een investering die terugbetaald moet worden.”

“Daarnaast hecht Fluvius ook veel waarde aan haar maatschappelijke rol. Gemeenschappen die zich volledig van het net willen afsluiten kunnen op flink wat tegenkanting rekenen. Als iedereen die het zich kan veroorloven zich gaat afsluiten van het net, dan blijft Fluvius over met degenen die het zich dat niet kunnen veroorloven. Dat is een socialisering van de energiekost. En dat leidt tot energiearmoede.”

“Ik stel een gebrek
aan durf vast in de
politiek.”

Er komt veel kritiek op de hoge elektriciteitsprijs. Is het de bedoeling dat Local Energy Communities die prijs naar beneden halen?

Loeckx: “De reden dat onze factuur zo hoog is, is voor een deel te wijten aan zogenaamde ‘verborgen kosten’. Denk aan groenestroomcertificaten en openbare verlichting. Fluvius en de VREG vinden dat die kosten niet op onze factuur thuishoren.”

Men zou die kosten natuurlijk kunnen ontlopen door van het net af te gaan…

Loeckx: “Klopt. En dat zou allesbehalve fair zijn. Dat is ook waar de VREG en Fluvius voor vrezen. Daarom willen ze nadenken over andere manieren om die ‘verborgen kosten’ te recupereren. Dat is een zware maatschappelijk en politieke discussie.”

Is dat geen gebrek aan toekomstvisie vanuit politieke hoek?

Loeckx: “Ik denk niet dat het een gebrek aan toekomstvisie is. Het is een gebrek aan durf. Kijk: bij elke verandering die je doorvoert heb je winnaars en verliezers. Het zijn politici die deze, soms moeilijke, boodschap moeten brengen. Maar: die willen hun kiespubliek niet teleurstellen. Daarom duurt het soms heel erg lang voor vernieuwingen worden doorgevoerd – kijk maar naar de digitale meters.”

Genoeg over de elektriciteitsprijs. Europa geeft aan dat iedereen op elk moment uit een lokale energiegemeenschap moet kunnen stappen. Zet zo’n verplichte opt-out de haalbaarheid van die projecten niet zwaar onder druk?

Loeckx: “Niet als je er voor zorgt dat iedereen zich blijft engageren. En dat doe je door kwaliteit te leveren. Onderling vertrouwen is enorm belangrijk. Alles begint bij goede afspraken en vertrouwen tussen de verschillende partners.”

En wat als een bedrijf toch beslist: wij stappen eruit? Is het niet slimmer om met bindende contracten te werken, zoals in Nederland?

Loeckx: “Dat denk ik niet. Ik vraag mij oprecht af of zo’n contract het Europese recht zal doorstaan. Als het uitstappende bedrijf het recht op opt-out vermeldt, dan krijgt het wellicht gelijk van Europa. Nogmaals: onderling respect, begrip en vertrouwen is belangrijker dan een blaadje papier.

“Technologische evoluties
zijn minstens even belangrijk
als politieke besluiten.”

Zoals je aangeeft zijn politieke evoluties een belangrijke factor in de ontwikkeling van de huidige proefprojecten. Zijn er nog andere evoluties waar we rekening mee moeten houden?

Loeckx: “Naast de politiek heb je ook de technologie. Elke technologische vernieuwing heeft een impact op de uitbouw van lokale energiegemeenschappen. Op vlak van opslag van energie zijn nog grote doorbraken nodig. Gebeurt dat niet, dan blijft de uitbouw van gelijk welke lokale energiegemeenschap een heikele zaak.”

“Ook voor zonnepanelen voorspel ik nog grote evoluties. Hoe lichter we die kunnen maken, hoe meer daken er in aanmerking komen en hoe meer zonne-energie we lokaal kunnen opwekken.”

Niet alles hangt dus af van de politieke besluitvorming?

Loeckx: “Klopt. De toekomst van lokale energiegemeenschappen hangt af van twee belangrijke factoren: de eerste is politieke besluitvorming, maar technologische evoluties zijn minstens even belangrijk.

Bedankt.

Local Energy Communities: 3 voordelen en 3 uitdagingen

De laatste tijd staat het klassieke, gecentraliseerde energiemodel (het model zoals we het nu kennen) onder druk. Sterker: een globale energietransitie dringt zich op. Waarom is die verandering nodig? En welke uitdagingen brengt die omschakeling met zich mee? Op een partneroverleg van Smart Energy Link schoven de energieregulator VREG en distributienetbeheerder Fluvius mee aan tafel om te praten over de toekomst van ons elektriciteitssysteem.

Meer en meer leeft het idee dat energie beter op een decentrale manier geregeld kan worden, zoals in een lokale energiegemeenschap (Local Energy Communities of LEC’s). In zo’n LEC wordt energie lokaal opgewekt en verdeeld. De consumptie wordt gestuurd door het energieaanbod – en niet langer door de vraag naar energie.

Local Energy Communities: eerst een stukje wetgeving

De Europese regelgever wil lokale energiegemeenschappen mee mogelijk maken en werkte een wetgevingspakket uit: ‘Clean Energy for all Europeans’. Dit pakket bestaat uit acht verordeningen en richtlijnen. Deze verordeningen en richtlijnen hebben betrekking op nieuwe mechanismen voor energiebesparing, gebruik van duurzame energie en de elektriciteitsmarkt.

Zo biedt het ‘Clean Energy for all Europeans’ mogelijkheden aan netgebruikers en netbeheerders om bij te dragen aan een flexibeler, decentraal, gedigitaliseerd en efficiënt energiesysteem.

Dit energiesysteem van de toekomst wordt geregeld binnen twee richtlijnen:

  1. Richtlijn hernieuwbare energie (renewable energy community, REC)
  2. Elektriciteitsrichtlijn (citizen energy community, CEC)

Europa stelt ook heel duidelijk wat het met dit wetgevingspakket wil bereiken:

  1. De energievoorziening verzekeren
  2. De interne energiemarkt uitbreiden
  3. De energie efficiëntie verhogen
  4. De economie koolstofarm maken
  5. Onderzoek en ontwikkeling ondersteunen

Local Energy Communities: de voordelen

Dat zo’n gedecentraliseerd systeem een aantal voordelen met zich meebrengt, daar zijn zowel de Vlaamse Energieregulator als distributienetbeheerder Fluvius het alvast over eens.

Dit zijn volgens hen de drie belangrijkste voordelen.

Voordeel 1: de energiemarkt democratiseert

Bedrijven en burgers staan zelf in voor het opwekken en verdelen van energie. Dat geeft hen een zekere mate van autonomie: ze zijn niet langer afhankelijk van hun energieleverancier, maar kunnen onderling energie uitwisselen. Alle verschillende partijen zijn tegelijk producent en consument.

Voordeel 2: de kost van energie daalt

Lokale energieproductie en -consumptie kan een pak efficiënter georganiseerd worden dan nu het geval is. Wanneer we erin slagen om productie en -consumptie op elkaar af te stemmen, kan dit ook een invloed hebben op de energieprijzen. Dit economisch argument is een belangrijke hefboom om ook de bedrijfswereld in te schakelen in de transformatie van het energiemodel in Vlaanderen. Zo’n lokaal model brengt dan ook een lagere energieprijs met zich mee. Zowel Fluvius als de VREG merken op dat het momenteel nog onduidelijk is hoe die prijsdaling precies doorgevoerd zal worden.

Voordeel 3: de CO2-uitstoot daalt

Toch is een eventuele prijsdaling niet de belangrijkste drijfveer van de LEC’s. Omdat lokale energieconsumptie een pak efficiënter is, is het ook een belangrijke hefboom om de uitstoot van CO2 terug te dringen. Iets waar Europa de komende jaren hard op wil inzetten.

Die efficiëntie-stijgingen zijn voornamelijk te wijten omdat het huidige enerigemodel niet slaagt in het afstemmen van onze energieproductie en verbruik. Daarnaast draait ons energiemodel al sinds de industriële revolutie op de verbranding van fossiele brandstoffen, met grote gevolgen voor de klimaatopwarming en andere schadelijke milieueffecten.

Fluvius en de VREG zijn ervan overtuigd dat LEC’s heel wat voordelen met zich meebrengen. Op dat vlak zitten ze op dezelfde lijn als Europa. Maar, merken ze op, de uitbouw van die lokale energiegemeenschappen brengt ook een aantal vraagstukken met zich mee. Daar gaan we nu wat dieper op in.

Local Energy Communities: de uitdagingen

Een aanpassing naar een decentraal energiesysteem kan ingrijpende gevolgen hebben voor de distributienetbeheerder. Welke rol moet deze instantie in de toekomst op zich nemen? Hoe moet zij zich aanpassen aan een een (deels) gedecentraliseerd energienetwerk? En welke gevolgen heeft deze nieuwe rol voor alle andere betrokken partijen?

Uitdaging 1: de rol van de distributienetbeheerder

De distributienetbeheerder (Fluvius) is lettterlijk de beheerder van het centrale elektriciteitsnet. Fluvius is in het huidige systeem verantwoordelijk voor de aanleg, het onderhoud en het beheer van het net. Ook de aansluiting op het net wordt door de netbeheerder geregeld.

In een systeem met LEC’s is de rol van de distributienetbeheerder nog onduidelijk. Blijft de eindverantwoordelijkheid bij de distributienetbeheerder? Of komt het gedecentraliseerde netwerk onder de bevoegdheid van verschillende lokale entiteiten?

Uitdaging 2: de historische investeringskost

Stel dat een LEC zich losrukt van het distributienet. Dan lijkt het logisch dat de distributienetkosten uit de energiefactuur verdwijnen. Energie wordt namelijk lokaal op het terrein geproduceerd en onmiddellijk verdeeld onder de deelnemers van het LEC.


Wat zijn distributienetkosten?

De distributienetkosten verschaffen de distributienetbeheerder de middelen om zijn verschillende taken adequaat uit te voeren. Onder de distributienetkosten vallen:

  • Vervoer van elektriciteit over het distributienet
  • Aanleg nieuwe kabels voor elektriciteit
  • Onderhoud van de kabels en leidingen
  • Openbare dienstverplichtingen (o.a. toekenning van premies, openbare verlichting, plaatsen budgetmeters, …)

Dat klopt niet helemaal.

Er bestaat namelijk ook zoiets als een ‘historische investeringskost’. Dit is de optelsom van alle inversteringskosten die in het verleden gemaakt werden om klanten op het net aan te sluiten. Dit zijn gemaakte kosten en die verdwijnen niet plots omdat we besluiten van energiesysteem veranderen, aldus Fluvius.

De VREG oppert wel om de energiefacturen op een andere manier te laten dalen. Volgens hen kan dit door oneigenlijke distributienetkosten (zoals de openbare dienstverplichtingen) niet langer in rekening te brengen. De helft van de distributienetkosten kunnen dan eventueel op een andere manier gefinancierd worden. Hoe dat er concreet uitziet is nog onduidelijk.


Hoe ziet de elektriciteitsfactuur er vandaag uit?

De energiefactuur voor KMO’s in Vlaanderen bestaat uit drie componenten:

  • Taksen en heffingen
  • Netkosten
  • Energie

Uitdaging 3: het gevaar voor een dubbele infrastructuur

Fluvius wil vermijden dat er een aparte infrastructuur moet gelegd worden om de LEC’s te verbinden met het publieke net. Deze uitdaging is nauw verwant met de verplichte opt-out in de Europese Regelgeving: een deelnemer aan een LEC moet altijd uit een LEC kunnen stappen. Dat wordt moeilijk als die deelnemer niet langer aangesloten is op de publieke infrastructuur.

Helaas ontbreekt er (voorlopig) nog duidelijke regelgeving rond de uitbouw van nieuwe infrastructuur voor LEC’s en de ontbinding van de oude infrastructuur.

Local Energie Communities: wat brengt de toekomst?

Samenvattend kunnen we stellen dat de Local Energy Communities er sowieso komen. Ze zijn er zelfs al. Nu is het vooral zaak om de Europese richtlijnen zo snel mogelijk in een wetgevend kader te gieten.

Hoe dat wetgevend kader er precies uitziet? En hoe we bovenstaande uitdagingen moeten aanpakken? Dat is voorlopig nog niet duidelijk. Een CIRED workshop van o.a. Energyville, Eandis, Flux 50 en KBC brengt alvast vijf mogelijke scenario’s in kaart.

Het onderzoek gaat uit van vier functies binnen een LEC:

  • De infrastructuur van het net
  • Monitoring
  • Management van het smart grid
  • Financiële verdeling onder de deelnemers

Afhankelijk van hoe de verschillende functies binnen een Local Energy Community worden ingevuld (het wetenschappelijk onderzoek onderscheidt er vier) variëren de verschillende scenario’s van een zeer publiek tot een zeer privaat systeem.

Wanneer elke functie in handen zou vallen van de private vereniging die het smart grid ontwikkelt, spreken we van een volledige loskoppeling van het distributienet: een zeer privaat systeem. In die specifieke situatie hebben Fluvius en andere institutionele partners geen invloed meer op het smart grid. Het is zonneklaar dat de distributienetbeheerder hier niet mee akkoord zal gaan.

En nu?

Los van de vijf mogelijke scenario’s waar we op af stevenen, blijven er nog een aantal vragen onbeantwoord:

  • Hoe kunnen we de Europese richtlijnen zo efficiënt mogelijk omzetten in nationale wetgeving?
  • Welke tariefstructuur zullen we in de toekomst hanteren?
  • Hoe waarborgen we de opt-out service, zodat elke deelnemer een LEC kan verlaten zonder daarom van het elektriciteitsnet afgesloten te worden?
  • Hoe zal de aandelenstructuur van een LEC eruit zien? Wie kan (mede-)eigenaar worden? En wie niet?

Stuk voor stuk vragen waarop we hopen snel een antwoord te vinden.

Heb je nog een vraag over de toekomst van Local Energy Communities? Stel ze hieronder in de comments.